|
Er
zijn weinig begrippen die voor zoveel verwarring gezorgd hebben
als het begrip 'metafysica'. Voor sommige gerespecteerde denkers
is het zelfs een soort bundeling van alles wat warrig is. En gezien
de geschiedenis van het begrip kan men hen niet eens zo ongelijk
geven. In een klein, maar vinnig artikeltje uit zijn Berlijnse tijd
zegt Hegel: "Denn Metaphysik ist das Wort [...] vor
dem jeder, mehr oder minder, wie vor einem mit der Pest Behafteten
davon läuft." Het ontstaan van het begrip is al een
paradox. Het woord zou voor het eerst gebruikt zijn door Andronikos
van Rhodos toen deze een uitgave van de werken van Aristoteles verzorgde.
Maar het is zeker al eerder gebruikt, echter wel steeds in het voetspoor
van Aristoteles, terwijl juist hij de werkelijkheid primair als
fysisch en niet als metafysisch dacht. Daar begint eigenlijk het
hele drama van de metafysica al, waarvan de geschiedenis in het
Historisches Wörterbuch der Philosophie meer dan honderd
kolommen in folio beslaat, maar in plaats van bij Plato te beginnen,
begint bij Aristoteles. Door hiernaar te verwijzen, kunnen wij ons
in het volgende beperken tot de visie die het Von Laun Instituut
op dit begrip in de loop der tijd ontwikkeld heeft.
Het
Von Laun Instituut heeft een visie op de metafysica ontwikkeld die
zich op drie belangrijke punten van de meeste andere interpretaties
onderscheidt:
1.
Alleen het daadwerkelijk functioneren van een in aanzet reëel
bestaande democratie kan het bestaan van een niet zintuiglijk waarneembare
werkelijkheid filosofisch rechtvaardigen. De metafysica veronderstelt
het bestaan van zo'n niet-fysische werkelijkheid.
2.
Elke echte democratie veronderstelt een dubbele werkelijkheid: een
zintuiglijk waarneembare en een niet-zintuiglijk waarneembare werkelijkheid.
Deze beide werkelijkhe-den staan in een contradictoire relatie tot
elkaar en zijn desondanks toch tegelijk werkelijk. Logisch gezien
is dat onmogelijk, omdat van een contradictoire relatie alleen maar
één van beide polen van de relatie werkelijk kan zijn,
zoals door Aristoteles bewezen. Elke democratie veronderstelt daarom
een formeellogische absurditeit. Daarom laat men in een democratie
altijd naast de logica ook een dialectiek gelden.
Beide sluiten elkaar wederzijds uit. Het instrument van de rationaliteit
is de logica, het instrument van de redelijkheid is de dialectiek.
De logica veronderstelt een fysisch denken en een fysische werkelijkheid,
de dialectiek een metafysisch denken en een metafysische werkelijkheid.
Beide sluiten elkaar logisch uit.
Wie
dus in een democratie een concrete theoretische of praktische beslissing
moet nemen, zal altijd moeten kiezen tussen twee elkaar uitsluitende
grootheden. Een grondige analyse kan laten zien dat iedereen in
een democratie dat onbewust ook min of meer doet, zelfs als men
er bewust een andere theorie over de democratie op na houdt. En
precies dat maakt democratie zo moeilijk te begrijpen voor buitenstaanders
die er niet mee vertrouwd zijn of er niet in zijn opgegroeid. Democratie
vereist een fundamenteel andere manier van denken, waarin onder
andere voor werkelijk gehouden wordt wat logisch gesproken niet
werkelijk kan zijn.
3.
De enige dialectiek die de logica kan vervangen, omdat zij haar
contradictoir uitsluit, is niet de Hegelse of Marxsche dialectiek,
maar die van Plato. Dialectiek in deze Platoonse zin is het gelijktijdig
kunnen denken van de werkelijkheid van twee elkaar contradictoir
uitsluitende werkelijkheden.
Ad
1. De democratie zoals die vanaf de zesde eeuw voor Christus door
de Grieken ontwikkeld is, veronderstelt dat bepaalde principes werken,
ondanks het feit dat men van principes nooit kan aantonen dat ze
werken, omdat principes geen oorzaak kunnen zijn in de lijn van
oorzaak en gevolg. Een principe is een idee en pas als zo'n idee
gerealiseerd is, hebben we te maken met een werkelijkheid, waarvan
we de oorzaak kunnen proberen te achterhalen. Die oorzaak zal dan
echter altijd een zintuiglijk waarneembare moeten zijn. Daarom zal
men op het niveau van oorzaak en gevolg nooit bij het principe
kunnen uitkomen als de oorzaak van de werkelijkheid waarvan we menen
dat we die aan de realisering van dat principe te danken hebben.
Een voorbeeld van zo'n principe is bijvoorbeeld dat 'het recht'
niet iets kan zijn, dat door de macht gegarandeerd of gegeven kan
worden. In een democratie heeft iemand een recht alleen op grond
van zijn onmacht, behoeftigheid, niet kunnen etc. Het gaat daarbij
nadrukkelijk om een principe dat democraten in hun hoofd hebben,
want dit 'recht' vindt men nergens in de natuur of in niet-democratische
maatschappijen, waar overal de grote vissen de kleine opeten. Maar
de geldigheid en dat wil zeggen: de realiteit van dit principe lost
de realiteit van het recht als macht of het recht van de sterke
niet op, ofschoon het er wel eenduidig het uitsluitende tegendeel
van is.
Een
democraat die een concrete beslissing neemt zal daarom altijd moeten
afwegen, voor welke werkelijkheid hij in een concrete situatie kiest.
Die keuze is in principe absoluut onvoorspelbaar, want het is niet
zo dat het principe belangrijker is dan de realiteit van de macht
of, omgekeerd, dat de realiteit van de macht belangrijker dan de
principes is. Wat op een gegeven moment een realistische keuze is
in een democratische context, hangt dus geheel en al van de concrete
situatie af, waarin wij een beslissing moeten nemen.
De
principes zijn echter wel absoluut. En daar zijn veel misverstanden
door ontstaan. Die principes moeten wel absoluut zijn, omdat
zij anders geen enkele kans hebben om als gelijkwaardig te kunnen
concurreren met de dagelijkse werkelijkheid van de macht. Die absoluutheid
hebben de echte democratische principes echter alleen uit hoofde
van hun logische onmogelijkheid, waardoor ze buiten de zintuiglijk
waarneembare werkelijkheid en daarmee buiten ruimte en tijd vallen.
Daardoor moeten zij wel per definitie een geldigheid hebben die
ruimte en tijd overstijgt, en dat is hun absoluutheid. Democratische
principes zijn dus absoluut geldig en alleen daardoor kunnen zij
zich meten met de realiteit van de macht of in het algemeen met
de realiteit van de zintuiglijke waarneming. Die absoluutheid is
dus onze eigen menselijke schepping en heeft op zich niets te maken
met een geloof in een God Schepper of een andere absolute macht.
Ad
2. De consequenties van deze verdubbeling van de werkelijkheid in
elke reële democratie, en dus van de waarheid - die altijd
aan de werkelijkheid georiënteerd moet zijn - zijn allesomvattend,
van de dagelijkse moraal, de theorie en praktijk van de politiek
tot en met de theoretische fundering en de praktijk van alle wetenschappen
zonder uitzondering. Het komt er in feite op neer dat elk oordeel,
of het nu van praktische of van theoretische aard is, een verdubbeling
ervaart, omdat in een democratie - en alleen daar - elk ding en
elke verhouding naast zijn fysische, dat wil zeggen: zintuiglijk
waarneembare werkelijkheid óók een 'wezen' heeft,
waar bij elke beslissing serieus rekening mee moet worden gehouden,
als die beslissing althans objectief verantwoord wil zijn in de
context van een democratie. Dat 'wezen' van de dingen kan in principe
altijd verwoord worden, dat wil zeggen, dat men het te allen tijde
moet kunnen definiëren, ook al is het per definitie
nooit beschrijfbaar.
Het
Von Laun Instituut heeft de regels ontwikkeld waaraan zo'n wezensdefinitie
zal moeten voldoen om wetenschappelijk verantwoord te kunnen zijn.
|
|
| 1.
Een wezensdefinitie definieert het wezen van iets altijd in
termen, die het uitsluitende tegendeel van de termen zijn, die
de soort of het geslacht beschrijven. Als die tegenstelling
niet contradictoir is, kan men ervan uitgaan dat de wezensdefinitie
onjuist is. De beschrijving van een soort of van een geslacht
is altijd gebaseerd op zintuiglijk waarneembare, gemeenschappelijke
kenmerken van individuele soortgenoten of van de tot een geslacht
behorenden. Een wezensdefinitie komt daarentegen pas tot stand,
wanneer, na het systematisch uitsluiten van veel beschreven
of beschrijfbare kenmerken, er uiteindelijk een kleine serie
mogelijkheden overblijft, waartussen alleen intuïtief kan
worden beslist. Het wezen kan dus nooit rationeel worden afgeleid,
de soort of het geslacht wel. Alleen intuïtief kunnen we
doordringen tot de per definitie onvoorstelbare werkelijkheid
van het wezen van dingen en relaties. |
|
| 2.
Een wezensdefinitie moet altijd omkeerbaar zijn. Wanneer ik
dus zeg dat het wezen van de vrijheid het nemen van de verantwoordelijkheid
voor die vrijheid is, dan betekent dat, dat overal waar die
verantwoordelijkheid voor de vrijheid op zich genomen wordt,
er automatisch democratische vrijheid is, en overal waar die
verantwoordelijkheid niet serieus genomen wordt, er in die mate
ook geen democratische vrijheid kan zijn. Dat geldt voor elke
wezensdefinitie. |
|
| 3.
Elke wezensdefinitie moet onvoorstelbaar zijn. Dat wil zeggen,
dat, als we ons een eenduidige voorstelling kunnen maken van
het gedefinieerde begrip, wij a-priori kunnen weten dat dit
geen wetenschappelijk verantwoorde wezensdefinitie kan zijn.
Deze onvoorstelbaarheid is een direct gevolg van het feit dat
het wezen absoluut is, dat wil zeggen: ruimte en tijd overschrijdt.
En omdat elke voorstelbaarheid aan ruimte en tijd gebonden is,
moet het wezen die voorstelbaarheid uitsluiten. |
|
| 4.
Elke wezensdefinitie moet abstract zijn. Zo is bijvoorbeeld
het wezen van de tafel de abstracte aanzitbaarheid, en het wezen
van de stoel de abstracte opstaanbaarheid. Deze wezensabstractie
verschilt dus fundamenteel van elke abstractie van universalia
als soort en geslacht. Ook een wezensdefinitie staat voor een
universele werkelijkheid, maar deze universaliteit is gebonden
aan het bestaan van een democratische context en bestaat niet
daarbuiten. Democratie is universeel en binnen die universaliteit
is pas het wezen universeel. De huidige heersende wetenschap
ontkent dit faliekant en ondermijnt daardoor op termijn de basis
van de democratie. |
|
| 5.
Is nu elke definitie die contradictoir met de zintuiglijke werkelijkheid,
omkeerbaar, onvoorstelbaar en abstract is, een wetenschappelijk
verantwoorde wezensdefinitie? Mij dunkt dat deze vier criteria
voldoende garantie bieden om tot een verantwoorde wezensdefinitie
te komen. Er kunnen weliswaar fouten binnensluipen, omdat elke
wezens-definitie, zodra zij voltrokken is, in woorden en dat
wil zeggen in ruimte en tijd geïmplementeerd is. De absoluutheid
van het wezen is daardoor echter niet méér onderuitgehaald,
dan de pretentie van de positivistische wetenschap door het
inzicht onderuitgehaald zou zijn dat wetenschappelijke resultaten
per definitie falsifieerbaar zullen moeten zijn. Ook dat inzicht
tast de autoriteit van wetenschappelijke resultaten op geen
enkele manier aan. Het zal dus nooit een reden zijn, om bijvoorbeeld
miljoenen subsidies te weigeren. Het laat alleen de noodzakelijke
ruimte voor kritische correcties. Zo is het ook bij wezensdefinities.
Door hun absoluutheid kunnen zij met de positivistische wetenschap
concurreren, maar ze behouden de noodzakelijke ruimte voor kritische
correcties door de onvermijdelijke historiciteit van de verwoording. |
|
|
|
Ad
3. De Hegelse dialectiek van 'Zijn-Niets-Worden' aan het begin van
zijn 'Logik' wordt door hem zelf voorgesteld als het meest
vooroordeelloze begin van de logica. Maar een nauwkeurige analyse
kan laten zien dat hij om beweging in de ontwikkeling van die begrippen
te krijgen, de begrippen Zijn en Niets twee inhoudelijk verschillende
betekenissen moet meegeven. En dat is precies de reden, die Plato
er toe bracht, om naast de werkelijkheid die in principe aan de
logica beantwoordt, een andere werkelijkheid te postuleren, die
met die logica niet onder één dak te brengen is. Dat
is de veel bespotte en zelden begrepen werkelijkheid van zijn 'Ideeën'.
Het is deze dialectiek tussen twee elkaar uitsluitende werkelijkheden
die door het Von Laun Instituut gezien wordt als de enige dialectiek
die het metafysische wezensdenken als wetenschappelijk kan legitimeren.
Haar enige vooronderstelling is, dat de waarheid dubbel is, hetgeen
door de hele geschiedenis van het denken - vaak tegen wil en dank,
zoals bij Hegel - bevestigd wordt. De dialectiek van Hegel kan zich
wetenschappelijk uiteindelijk niet handhaven, omdat zij in wezen
de dialectiek als het verlengde van de logica blijft zien en niet
onderkent dat zij daarvan het uitsluitende tegendeel is. Wat op
dit punt voor Hegel geldt, geldt in nog veel sterkere mate voor
Marx.
|